woensdag 25 november 2020 Home Zoek Contact Veel gestelde vragen Sitemap Print deze pagina  
 
 
 
Actueel
Algemeen en dossiers
Nederland
Verenigde Naties
Overig internationaal
Andere landen
Varia & service
Deze site
Onze andere sites
 
 Nr. 01
 
 Naar de vorige pagina
 
 
 >  DEZE SITE  >  BERICHTEN  >  2002
 >  NR. 01  

Persbericht van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken - 16 december 2002


Advies “Het VN-Vrouwenverdrag in relatie tot de positie van vreemdelingenvrouwen in het Nederlandse vreemdelingenrecht en vreemdelingenbeleid”, november 2002

Spanning tussen het Nederlandse beleid en het VN-Vrouwenverdrag

In dit advies heeft de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) de positie van vreemdelingenvrouwenin het Nederlandse vreemdelingenrecht en vreemdelingenbeleid bezien in relatie tot het VN-Vrouwenverdrag. Het advies is tot stand gekomen naar aanleiding van het verzoek van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie, mede namens haar ambtsgenoot van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om het thematische deel van het Nationale Rapport Emancipatiebeleid op te stellen. De Adviescommissie heeft zich in dit advies beperkt tot de onderwerpen met een expliciet vreemdelingrechtelijk karakter. De onderwerpen “vrouwen in de asielprocedure, “gezinshereniging/ gezinsvorming”, “au pairs”, “vrouwenhandel” en “vrouwen zonder verblijfstitel in de gezondheidszorg en in de prostitutie” zijn uitgediept en voor elk van deze onderwerpen is nagegaan welke mogelijke spanningsvelden bestaan tussen het Nederlandse beleid en het VN-Vrouwenverdrag.

1.  De voorwaardenscheppende kant van het emancipatiebeleid behoeft meer consequente aandacht.

  • Allereerst constateert de ACVZ in haar evaluerende rapportage dat het beschikbare cijfermateriaal in een aantal gevallen onvoldoende inzicht verschaft in de gevolgen van regelgeving en beleid voor mannen en vrouwen in het vreemdelingenrecht en vreemdelingenbeleid.
  • De Commissie stel daarnaast vast dat de Nederlandse overheid (in het kabinetsstandpunt inzake ‘gendermainstreaming’ van juni 2001) beleid heeft aangekondigd om te komen tot een duurzame integratie van emancipatiedoelstellingen in alle geledingen van het reguliere beleid. Op basis van haar analyse is de ACVZ van mening dat de organisatie van de verwezenlijking van gelijke behandeling van mannen en vrouwen (‘gender’) in het algemene beleid, goed is opgezet. Deze organisatie is echter naar de mening van de ACVZ in elk geval bij Justitie nog te kwetsbaar en onvoldoende in de praktijk gerealiseerd en geborgd. Concreet beveelt de ACVZ aan dat continu aandacht wordt besteed aan het realiseren van de randvoorwaarden. Het gaat daarbij in het bijzonder om capaciteit, bezetting en mandaat van de Justitie Emancipatie Stuurgroep en om het verzekeren van de betrokkenheid van de deelnemende directies van het Ministerie van Justitie.

2. Gezinshereniging en gezinsvorming: de Nederlandse inkomenseisen en de afhankelijke verblijfstitel zijn benoemd als spanningsvelden tussen het Nederlandse beleid en het VN-Vrouwenverdrag.

  • Een goede naleving van het VN-Vrouwenverdrag vereist dat de overheid betrouwbaar statistisch materiaal verzamelt over de vraag in welke mate in Nederland verblijvende personen (uitgesplitst naar geslacht en etnische achtergrond) kunnen voldoen aan de thans geldende inkomenseis. Dat materiaal is thans niet voorhanden. Omdat er wel aanwijzingen zijn die doen vermoeden dat het voor vrouwen in Nederland moeilijker is om aan de huidige inkomenseis voor gezinsvorming te voldoen, adviseert de ACVZ om de voornemens tot beleidswijziging (verhoging inkomenseis, verhoging van de leges en zelffinanciering van de inburgeringscursus) voorafgaande aan een definitieve beslissing daaromtrent, te onderwerpen aan een Emancipatie Effect Rapportage (EER).
  • De Commissie constateert dat de zogeheten afhankelijke verblijfsvergunning(gedurende drie jaar) voor partners van buiten de EU het gevaar in zich bergt dat met name vrouwen in een afhankelijke positie van hun partner komen te staan. De ACVZ is van mening dat dit instrument niettemin noodzakelijk is om te kunnen vaststellen of het doel van het verblijf ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Daarvan uitgaande past naar de mening van de Commissie echter wel een goede bescherming van de vrouwen als zij die nodig hebben. De huidige mogelijkheid om vrouwen een zelfstandige verblijfsvergunning te verlenen indien binnen drie jaar is aangetoond dat de vrouw is mishandeld, is een dergelijke beschermingsmaatregel. De commissie is van mening dat ernstige mishandeling op zichzelf een klemmende reden van humanitaire aard kan opleveren voor het verlenen van een zelfstandige verblijfsvergunning (en niet de eis moet worden gesteld: “in combinatie met andere schrijnende factoren”).

3. Asiel: Voor asiel zijn alsbelangrijkste spanningsvelden tussen het Nederlandse beleid en het VN-Vrouwenverdrag benoemd de weergave van genderaspecten in de Vreemdelingencirculaire en landgebonden TBV’s,de weergave van de positie van vrouwen in ambtsberichten,het nader gehoor,het omgaan met traumata in de procedure en de algemene wet bestuursrecht (Awb) over het inbrengen van nieuwe feiten (nova).

  • De ACVZ is van mening dat de weergave van genderaspecten in de Vreemdelingencirculaire, de landgebonden TBV’s en in de ambtsberichten systematisch en volledig dient te zijn. De ACVZ doet daartoe concrete aanbevelingen. De onderwerpen vrouwenbesnijdenis en huiselijk geweld als asielgrond worden apart besproken.
  • De ACVZ doet een aantal concrete aanbevelingen rond het nader gehoor (organisatie en verloop alsmede opleiding van gehoormedewerkers). Daarnaast doet de commissie een aanbeveling om, ten behoeve van de door de vrouw gevraagde vertrouwelijkheid van het asielrelaas, maatregelen te treffen.
  • Indien bij eerste opvang (in een aanmeldcentrum- AC) het vermoeden rijst dat er sprake is van ernstig trauma dan dient verdere behandeling steeds in een onderzoekscentrum (OC) plaats te vinden, opdat de asielzoek(st)er enige rust geboden wordt.
  • De Commissie is van oordeel dat een aanvulling op het in de Vreemdelingencirculaire (hoofdstuk 1 4.2.2 Vc 2000) neergelegde traumatabeleid in de rede ligt. Daarbij zou dienen te worden vastgelegd dat als na een afwijzende beslissing niet eerder naar voren gebrachte feiten of omstandigheden worden gepresenteerd die wijzen op het bestaan van een ernstig trauma, de betreffende eerdere beslissing in beginsel voor heroverweging in aanmerking komt. In een dergelijk geval zou dan wel op grond van een psychiatrische rapportage aannemelijk moeten worden gemaakt dat sprake is van zodanig ernstige posttraumatische stressreacties dat daardoor het niet bij gelegenheid van de eerdere aanvraag ter sprake brengen van de traumatische gebeurtenissen zou kunnen worden verklaard.

4. Au-pairs: De belangrijkste mogelijke spanningsvelden van het Nederlandse beleid met het VN-Vrouwenverdrag uiten zich voor au-pairs in de arbeidsrelatie au pair, in het onderscheid au pair en huishoudelijke arbeidskracht en in de kwaliteit van de bemiddelingsbureaus.

  • De Commissie beveelt aan om voor toelating als au pair een au pair-overeenkomstverplicht te stellen waarin in elk geval zijn vastgelegd het aantal uren werk, aantal uren vrije tijd (minimum aantal dagen), aard van de werkzaamheden, weekindeling, beloning en opzegtermijn. Voorts ware in de overeenkomst de clausule verplicht te stellen dat bij opzegging om een reden die niet ligt in de risicosfeer van de au-pair, de volledige vergoeding over de afgesproken periode moet worden uitbetaald. Daarnaast dient een snelle arbitrageprocedure bij een landelijke arbitragecommissie bereikbaar te zijn in geval van een conflict over de au pair-overeenkomst.De Commissie is van mening dat er een keurmerkmoet komen voor bemiddelingsbureaus, die zich bezighouden met plaatsing van au-pairs

5. Vrouwenhandel:De belangrijkste mogelijke spanningsvelden van het Nederlandse beleid met het VN-Vrouwenverdrag uiten zich bij vrouwenhandel in de werking van de zogenoemde “B9-regeling” voor slachtoffers van vrouwenhandel, opvang voor slachtoffers van vrouwenhandel, mogelijkheid tot het verlenen van een asielstatus en bijvrouwenhandel in relatie tot de opheffing van het bordeelverbod.

  • Deze regeling voor opvang en begeleiding van slachtoffers van mensenhandel die aangifte overwegen, blijkt door de Vreemdelingendiensten (van de politie) niet overal op dezelfde manier en consequent te worden toegepast. Daarom is het naar het oordeel van de Commissie noodzakelijk dat er, met als uitgangspunt de ‘goedlopende’ politieregio’s, een landelijke uitvoeringsrichtlijn komt.
  • Ook moet meer aandacht worden besteed aan de opvang van slachtoffers van vrouwenhandel. Het slachtoffer dient in een stabiele omgeving op verhaal te kunnen komen. Een eerste vereiste daarvoor is dat het slachtoffer zo snel mogelijk in een opvanghuis wordt opgenomen. Gebleken is dat de STV (Stichting Tegen Vrouwenhandel) niet steeds in staat is deze opvang meteen na het eerste contact met de politie te bieden. De Commissie is van mening dat hier zo spoedig mogelijk verbetering in moet worden gebracht.
    Minderjarige slachtoffers dienen direct een voogd toegewezen krijgen om de belangen van het kind zo goed mogelijk te beschermen.
  • De Commissie kan zich niet vinden in het pleidooi dat onder meer klinkt vanuit vrouwenorganisaties om aan slachtoffers van vrouwenhandel alsnog een asielstatus te verlenen. De bescherming die wordt geboden bij een eventuele toekenning van een verblijfsvergunning vanwege klemmende redenen van humanitaire aard, acht de Commissie voldoende.
  • De Commissie beveelt aan het gestelde overheidsbeleid consequent uit te voeren: vrouwen, die na het verstrijken van de “B9-regeling” niet in Nederland mogen verblijven, moeten bij terugkeer naar het land van herkomst begeleiding krijgen en enige hulp bij het starten van een nieuw leven aldaar. Het opzetten van een specifiek terugkeerprogramma, zoals ook nu al hier en daar plaatsvindt, voor deze vrouwen verdient aanbeveling.

6. Vrouwen zonder verblijfstitel in de gezondheidszorg: Voor het onderwerp “vrouwen zonder verblijfstitel in de gezondheidszorg” tenslotte, constateert de ACVZ dat het dringend nodig is dat nader onderzoek wordt gedaan naar de gezondheidstoestand van deze groep vrouwen, waarbij tevens een vergelijking wordt gemaakt met de gezondheidssituatie van legale, overigens vergelijkbare bevolkingsgroepen.


Meer informatie bij mevr. drs. A.L.N.M. Spanjersberg, secretaris ACVZ tel 070-3811400, aspanjer@acvz.com.