zaterdag 26 september 2020 Home Zoek Contact Veel gestelde vragen Sitemap Print deze pagina  
 
 
 
Actueel
Algemeen en dossiers
Nederland
Verenigde Naties
Overig internationaal
Andere landen
Varia & service
Deze site
Onze andere sites
 
 2006-2007
 
 Naar de vorige pagina
 
 
 >  NEDERLAND  >  RAPPORTAGES AAN...  >  2006-2007  

Derde nationale rapportage aan Staten-Generaal (2006-2007)


Algemeen

Bij de ratificatie van het VN-Vrouwenverdrag is wettelijk vastgelegd (1991) dat naast de vierjaarlijkse rapportage aan de VN ook vierjaarlijks een ''nationale'' rapportage wordt aangeboden aan het Parlement. Daarbij is het doel om over de implementatie van het verdrag in de volle breedte te rapporteren.

Voor de aanpak van de rapportages aan de VN bestaan vaste regels. Voor de aanpak van de rapportages aan de Staten-Generaal niet: de regering heeft een zekere vrijheid om - na vooroverleg met de Tweede Kamer - daarvoor een geschikte vorm te zoeken. Een uitvoerige beschouwing over de mogelijke aanpak gaf de regering in een brief van 3 maart 1994 aan de Tweede Kamer; de passage daarin over de nationale rapportage wordt integraal geciteerd op de openingspagina van deze subrubriek.

Zie hoe dat is gedaan bij de eerste rapportage resp. de tweede rapportage.


Nieuws (chronologisch, meest recente berichten bovenaan)

  • Tweede Kamer | Beleidsreactie van Minister Plasterk (OCW) op het Sardesrapport "Ongezien onderscheid in onderwijs", het project Talentenkracht en de hoge uitval van jongens op de Pabo's (Ministerie van OCW, 21 maart 2008). "Tijdens het Algemeen Overleg met uw Kamer over de Emancipatienota d.d. 7 en 12 november 2007 heb ik u toegezegd een inhoudelijke reactie op het onderzoek van Sardes “Ongezien onderscheid in onderwijs” toe te sturen en daarbij de hoge uitval van jongens op de Pabo alsook het project TalentenKracht te betrekken. In deze brief informeer ik u eerst op hoofdlijnen over het genoemde onderzoek en de projecten, waarna ik mijn inhoudelijke reactie geef".
  • woensdag 10 oktober 2007, 10.00 - 12.00 uur: Tweede Kamer | Algemeen Overleg van de Vaste Commissie voor OCW met Minister Plasterk over "internationaal emancipatiebeleid". Gesproken wordt over (a) het oordeel dat het betreffende VN-Comité (het CEDAW) heeft gegeven over de naleving door Nederland van het VN-Vrouwenverdrag; (b) de derde nationale rapportage VN-Vrouwenverdrag. 
  • Kamer moet naleving Vrouwenverdrag eisen. Persbericht dd. 8 oktober 2007 van het Netwerk VN-Vrouwenverdrag. Kabinet komt afspraken vrouwenrechten niet na. “De Nederlandse regering lijkt zelf te willen kiezen welke delen van het VN-Vrouwenverdrag ze wel, en welke ze niet naleeft” Dat zegt Saskia Bakker namens het Netwerk VN-Vrouwenverdrag. “En dit terwijl de afspraken juridisch bindend zijn. Bovendien hebben veel van de maatregelen die genomen worden te weinig of een onduidelijk effect”. Het netwerk vindt dat de Tweede Kamer bij Minister Plasterk moet aandringen op volmondige erkenning van de juridische status van het verdrag en op emancipatiemaatregelen.
  • VN-Vrouwenverdrag. Commentaar van het Netwerk VN-Vrouwenverdrag op de kabinetsreactie inzake de Concluding Comments van het CEDAW. Brief dd. 17 september 2007 aan de vaste Kamercommissie OCW. Hieruit o.m.: Het Netwerk is teleurgesteld over het onbreken van ambities om het VN-Vrouwenverdrag uit te voeren. In de kabinetsreactie ontbreken nieuwe passende maatregelen. En: het kabinet moet de juridische status van het verdrag uitdrukkelijk onderkennen en daarover zo spoedig mogelijk aan de Kamer berichten.
  • Derde rapportage VN Vrouwenverdrag: Ongezien onderscheid in het onderwijs. Brief dd. 17 juli 2007 van minister Plasterk (Emancipatie). Hieruit onder meer:
    • [...] Bij de ratificatie van het Verdrag in de Tweede Kamer [is] afgesproken dat er tevens verdiepende rapportages worden opgesteld. Dit zijn de zogenaamde nationale rapportages, hiervan zijn er twee verschenen, in 1997 en in 2000. In 2003 is door het kabinet bij brief (SZW 04-002) aan Uw Kamer meegedeeld de nationale rapportage te willen beperken tot telkens een bepaald thema. Hierbij bied ik u de 3e nationale rapportage aan met als thema ‘Ongezien onderscheid in het onderwijs’.
    • [...] Ik deel de opvatting dat aandacht geboden is voor verborgen ‘voorsorterende effecten’ die onderwijs in onze maatschappij kunnen hebben. In de Emancipatienota, die het Kabinet kort na Prinsjesdag naar uw Kamer zal sturen, zal ik een onderwijsparagraaf opnemen die onder meer ingaat op de conclusies en aanbevelingen van dit rapport
      • Hoogeveen, Van Kampen en Sudulski: Ongezien onderscheid in het onderwijs. Rapport Sardes, december 2006. Hieruit onder meer:
        • De inzet van het ministerie van OCW lijkt inmiddels versmald tot meisjes en techniek; andere doelstellingen worden ook wel genoemd, maar zijn niet geoperationaliseerd in projecten of aanpakken. Naast doelen zouden er ook maatregelen moeten zijn om de doelstellingen tot uitvoering te brengen. Daar is echter veel minder zicht op.
        • Als jongens en meisjes gelijke kansen moet worden geboden, waaronder een goede voorbereiding op keuzes tussen werk en zorg, dan is echter meer nodig.
        • De invoering van het concept van gendermainstreaming : emancipatie moest 'inzakken' in het reguliere beleid en een aparte structuur voor het emancipatiebeleid werd overbodig geacht.Decentralisatie, autonomievergroting voor onderwijsinstellingen en deregulering zijn eveneens tendensen in het overheidsbeleid die zich slecht verdroegen met een krachtig centraal aangestuurd emancipatiebeleid.
        • Door het vraaggericht werken van onderwijsondersteunende instellingen als gevolg van de invoering van marktwerking verdween onderwijsemancipatie uit beeld. Er werd niet om gevraagd, dus er werd niet ‘gedraaid’.
        • Instrumenten die hun nut bewezen hadden zoals de Emancipatie Effect Rapportage, zijn onvoldoende benut.
             
  • In haar slottoespraak op de middagconferentie van 16 april 2007 van de Visitatiecommissie Emancipatie (VCE) besteedde VCE-voorzitter Tineke Lodders-Elfferich ook aandacht aan de derde nationale rapportage:
    • [...] Een laatste voorbeeld; ik blijf dicht in de buurt van het vorige. Bij de goedkeuring van het VN-Vrouwenverdrag, in 1991, heeft de Tweede Kamer een amendement aangenomen, dat heeft geleid tot een uniek voorschrift: de in artikel 3 van de goedkeuringswet aan de Minister van SZW, nu dus de Minister van OCW, opgelegde verplichting om elke vier jaar een rapport aan de Staten-Generaal te zenden over de uitvoering van het VN-Vrouwenverdrag in Nederland. De ratio daarvan is dat de regering de begrijpelijke, en door de Kamers ook wel geaccepteerde, neiging heeft om in rapportages aan de Verenigde Naties niet voortdurend as over ons nationale hoofd te strooien en te vertellen hoe slecht het wel gaat (dat ziet men in New York kennelijk zo wel, zou je denken). Maar de Kamer wilde dus eens in de vier jaar een duidelijk verhaal met een goed overzicht van wat – gelet op onze verdragsverplichtingen – al gebeurt en nog moet gebeuren. De voorbereiding van zo’n nationale rapportage geeft - zo bleek bij vorige gelegenheden - natuurlijk allerlei mogelijkheden om dat in dialoog met maatschappelijke organisaties in beeld te brengen. Toevallig zou de derde nationale rapportage dit jaar gereed moeten zijn, maar alle openbaar beschikbare informatie wijst erop dat er ambtelijk alléén voorbereidingen zijn getroffen voor de publicatie van één extern rapport: over stereotype rolpatronen in het onderwijs. Een boeiend onderwerp. Al veertig jaar. Maar niet bepaald een serieuze invulling van de door de wetgever aan u als functionaris opgelegde wettelijke plicht om te rapporteren over de naleving van het Verdrag over de volle breedte. En – u zult het gezien hebben – het is een zeer breed verdrag.
           
  • Ongezien onderscheid in het onderwijs (SARDES, september 2006), De Directie Coördinatie Emancipatiebeleid van het Ministerie van SZW heeft Sardes gevraagd de derde nationale rapportage uit te gaan voeren van het VN-Vrouwenverdrag. Dit verdrag verplicht tot het invoeren van gelijkheid voor de wet, het werken aan de positieverbetering van vrouwen en het doorbreken van de op traditionele rolpatronen en vooroordelen gebaseerde cultuur.
    De derde rapportage richt zich op stereotype rolpatronen ofwel ongezien onderscheid in het onderwijs. Het onderwijs is, naast het gezin, de media en de peergroup, een belangrijke socialisatiefactor voor het bevestigen dan wel doorbreken van rolpatronen. 
    De keuze voor deze thematiek in de derde rapportage is beleidsmatig interessant omdat in het Meerjarenbeleidsplan Emancipatie van 2000 is besloten om emancipatie niet meer als een zelfstandig onderwerp te benoemen in het onderwijs. Emancipatie zou moeten 'inzakken' in het onderwijs. Het is interessant om na te gaan of deze beleidswijziging na zes jaar de stand van zaken heeft beïnvloed.